Gnosis

Twee zaken hielden de gnosticus sterk bezig. De dualiteit van lichaam en geest en het vraagstuk van de ziel. Bij het zelfonderzoek stuitte hij op de bevlekte ziel. De ziel, als product van het demiurgische principe, is licht tot het kwade geneigd en staat open voor de betovering van deze wereld. De ziel kent vele be­geerten die haar afhouden van de vereniging met het licht, met de geest. In veel gnostische teksten wordt de ziel dan ook voorgesteld als een gevallen vrouw, die door de wereld geprostitueerd wordt. In mijn boek De geheime woorden heb ik een gnostische tekst opgenomen, die getiteld is De verhandeling over de ziel en een prachtige illustratie vormt voor het denken van de gnostici. Verlossing betekende dus het zuive­ren van de ziel om daarin licht van de geest te ervaren. Als dat moment van verlichting gekomen was vond er een geestelijke opstanding plaats. Men was dan niet afhankelijk meer van het aardse maar één met het goddelijke. Men was onsterfelijk geworden.

Dat had ook een sterk kosmisch karakter. ‘Zo boven, zo beneden’ stelde de driewerf grote Hermes reeds. Want de ziel had haar ‘besmetting’ opgelopen in de demiurgische wereld waarvan ze afkomstig was, maar waar ze ook weer naar zou terugkeren. Want de weg naar het Pleroma liep in omgekeerde volgorde: door het rijk der archonten. De archonten, die, zoals we zagen, er alles aan zouden doen om het de ziel niet gemakkelijk te maken. Men moest de ‘wacht­woorden’ kennen om de archonten, die hun sfeer angstvallig bewaakten, te kunnen passeren. Met an­dere woorden, men moest het wezen van die archont, van die hemelsfeer, kennen om er langs te geraken. En men kon dit kennen door zelfonderzoek. Een voorbeeld moge hier verduidelijkend werken. Op ne­venstaande figuur, in de vorm van een kaars, zien we boven de goddelijke wereld van het Pleroma als een vlam afgebeeld. Daaronder vinden we het zogenaamde Middenrijk en de Achtheid, waar zich het paradijs bevindt, en dat begrensd wordt door de tekens van de Zodiak. Verder naar onderen dalen we af door de zeven hemelen, die alle onder invloed staan van een bepaalde archont. Deze archonten staan voor de zeven planeten (waartoe ook de zon en de maan gere­kend worden). Een ieder die enig begrip heeft van astrologie (waarbij dus niet bedoeld worden de onzin­horoscopen in dag- en weekbladen) weet dat in het wezen, het karakter van de mens, invloeden van de planeten te bespeuren zijn. Een sterke Mars invloed geeft drift, Mercurius zorgt voor beweging, Venus voor wellust, de Maan voor uitdijen en oeverloze emoties en Saturnus zorgt voor ‘verstening’, gierigheid. Vanzelfsprekend zijn er ook vele positieve in­vloeden van de planeten merkbaar, maar daar hebben we als mens meestal minder last van. Deze positieve eigenschappen zijn helpers om de negatieve invloeden te overwinnen. De drift dient omgebogen te worden naar stuwende daadkracht, de wellust naar universele liefde, de gierigheid naar totale wegschenking. Maanmensen moeten leren hun emoties in te dammen en genietbaar te worden voor hun mede­mens en Mercurius typen zullen leren om niet weg te vluchten, maar te staan voor hetgeen zijzelf opgeroe­pen hebben.

Als de mens deze negatieve invloeden in zijn eigen leven leert onderkennen en ermee aan de slag gaat, ze overwint, dan heeft hij ook de bijpassende hemel­sfeer overwonnen. Dat wil dan zeggen dat hij het wachtwoord kent en ongehinderd kan passeren op de weg naar boven, naar het Pleroma. Zou er een werkelijk volmaakt mens zijn, die alle kosmische (astrologische) invloeden omgebogen heeft tot universele levenswaarden, dan zal de ziel van deze mens opstijgen tot boven de zeven hemelen. Zij, de ziel, zal de plaats van het Midden bereiken. Voor die ziel is de cirkel rond. Alle karma, zouden de oosterse filosofen zeg­gen, is afgedaan. Zij hoeft dus ook niet meer terug, zij hoeft niets meer uit te werken. Zij hoeft geen erva­ringen meer op te doen. Dat noemden de gnostici de weg van geboorte en wedergeboorte.

Omgekeerd moet de ziel, die een bepaalde sfeer niet kan passeren, omdat de wachter daarvan nog iets van hem in haar aantreft (nog een stukje drift, wellust, gierigheid, vluchtigheid, oeverloze emotie), nog (minstens) een keer terug, in een ander lichaam. Daarbij is er een nieuwe mogelijkheid om dat stuk te overwinnen. Dat stuk wordt wel het (nood)lot genoemd. ‘Vóór het doopsel (dat is de innerlijke verlichting) is het noodlot een werkelijke macht; na de doop (ver­lichting) zijn de voorspellingen van de astrologen niet langer waar’ wist de gnosticus Theodotus.

Het overstijgen van het (nood)lot neemt bij de gnostici een belangrijke plaats in, temeer omdat het de basis vormt van de mogelijkheid tot zelfverlossing en opstanding, iets dat de latere kerk heeft afgewezen. In vele gnostische geschriften is deze moeilijke weg beschreven. We moeten ons hier tot enkele voorbeelden beperken en kunnen dus bij lange na niet volledig zijn. De bibliografie achterin dit boek kan helpen bij een verder onderzoek naar deze boeiende materie.  

Bron: 'Gnosis, De menselijke traditie van het oude weten'. 1990, Jacob Slavenburg.

Isis.jpg

 

© Willem Kunst